“Moet jij niet werken vanaf twee uur?”, vraagt mijn man terwijl hij naar de klok kijkt. “Jawel, Hoezo?”, antwoord ik. “Over twintig minuten is het twee uur” zegt hij. “Ja, ja, ik ben toch al lang bezig!” reageer ik licht geïrriteerd. “Ga je zo?” wilt mijn man weten. Hij kijkt me van boven naar beneden aan. Mijn haar staat nog hetzelfde als toen ik vanmorgen uit bed kwam, ik draag zijn shirt en joggingbroek en ik sta de vaatwasser uit te ruimen. “Ik ben bezig!” herhaal ik iets meer geïrriteerd. Hij besluit het op te geven. Hij weet al lang waar dit op gaat uitlopen.
Ik ben niet bezig. Het voelt wel alsof ik ontzettend bezig ben. Heel eerlijk, ik ben een uur geleden al begonnen met de voorbereidingen. In mijn hoofd weliswaar, maar ik ben dus een soort van bezig. Waar de afgelopen 60 minuten gebleven zijn, is mij een raadsel. Ik heb niet op de bank gelegen, ik ben in beweging geweest. Maar wat heb ik nou eigenlijk allemaal gedaan?
Met nog twintig minuten op de klok (of eigenlijk vijftien, want het is vijf minuten rijden naar mijn eerste afspraak) sta ik verzonken in gedachten in de tuin met een kop koffie. Alles in mij voelt de haast, maar niks in mij maakt aanstalten tot de simpele dingen die ik moet doen voor vertrek.
Okey, er moet nu echt wat gaan gebeuren! Opeens lijken die simpele dingen, een grote puzzel geworden. Waar begin ik mee? Wat is handig? Eerst kleren klaar leggen? Of nee, wacht, ik ga wel eerst douchen. Wat moet ik meenemen? Heb ik nog benzine in mijn auto? Oh ja, ik was de vaatwasser aan het uitruimen. Laat ik dat even afmaken voor ik kan gaan douchen.
Met nog tien minuten op de klok, spring ik onder de douche. Trek ik kleding van de waslijn die net iets te vochtig zijn. Beperk ik mijn make-up tot een likje mascara en doe ik mijn haar in een nonchalante staart bovenop mijn hoofd, in de hoop dat het lekker hip oogt. Snel pak ik mijn spullen en zie dat ik vijf minuten geleden op mijn afspraak had moeten zijn. Ik besluit te appen dat ik iets later ben. “Ik ben er over ongeveer tien minuten”. De reden waarom ik te laat ben, laat ik weg.
Er valt een last van mijn schouder. Ik heb weer wat speling. Dan red ik ook nog wel een kop koffie, lieg ik tegen mezelf. Eindelijk kan ik vertrekken, als ik tenminste mijn sleutelbos kan vinden. In paniek ren ik door het huis en snap er niks van dat mijn sleutels weg zijn. Mijn man staat op, zucht en zoekt mee. Oh nee he! Roep ik! ik ben al aan de late kant!
Als ik eindelijk mijn sleutels gevonden heb in de badkamer, nog twee keer uit de auto ben gekomen en naar binnen ben gelopen om eerst mijn telefoon en toen mijn tas te pakken, ben ik dan toch onderweg. Het is inmiddels half drie. Ik mopper op de auto die voor me zit. Geef eens gas! Zo kom ik hartstikke te laat!
Sidney
